Evangelielezing 8 april 2020

download de volledige liturgie en print deze eventueel voor iemand die u kent en die niet zo handig is met de computer
aantal keren gedownload: 13

Voorgangers: ds. Arenda Haasnoot, ds. Pieter v.d. Ende en ds. Philip van Wijk
Organist: dhr. Dick Durieux

Binnenkomst – stilte

Welkom door dominee Pieter v.d. Ende

Aansteken van de kaars in verbondenheid met allen thuis door dominee Philip van Wijk (alleen de handeling dus ds. Pieter v.d. Ende legt uit dat de kaars aangestoken wordt)

Lezen uit het Mattheüsevangelie 26 en 27 HSV

Vierde aankondiging van het lijden door ds. Pieter v.d. Ende

26 1 En toen Jezus al deze woorden geëindigd had, gebeurde het dat Hij tegen Zijn discipelen zei:
2 U weet dat over twee dagen het Pascha is, en dan zal de Zoon des mensen overgeleverd worden om gekruisigd te worden.

Het besluit om Jezus te doden
3 Toen kwamen de overpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten van het volk bijeen in het paleis van de hogepriester, die Kajafas heette;
4 en zij overlegden met elkaar om Jezus met list te grijpen en te doden.
5 Zij zeiden echter: Niet tijdens het feest, opdat er geen opschudding onder het volk komt.

De zalving in Bethanië

6 Toen Jezus in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse,
7 kwam er een vrouw naar Hem toe die een albasten fles met zeer kostbare zalf had; en zij goot die uit op Zijn hoofd terwijl Hij aanlag.
8 Toen Zijn discipelen dat zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe deze verkwisting?
9 Deze zalf had immers duur verkocht kunnen worden en de opbrengst aan de armen gegeven.
10 Maar Jezus, Die dit merkte, zei tegen hen: Waarom valt u deze vrouw lastig? Want zij heeft een
goed werk aan Mij verricht.
11 De armen hebt u immers altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd.
12 Want toen zij deze zalf op Mijn lichaam goot, deed zij dat als voorbereiding op Mijn begrafenis.
13 Voorwaar, Ik zeg u: overal waar dit Evangelie gepredikt zal worden in heel de wereld, zal ook tot
haar gedachtenis gesproken worden over wat zij gedaan heeft.
Het verraad van Judas
14 Toen ging een van de twaalf, die Judas Iskariot heette, naar de overpriesters
15 en zei: Wat wilt u mij geven, als ik Hem aan u overlever? En zij kenden hem dertig zilverstukken
toe.
16 En van toen af zocht hij een geschikte gelegenheid om Hem over te leveren.

De paasmaaltijd

17 Op de eerste dag van de ongezuurde broden kwamen de discipelen naar Jezus toe en zeiden tegen Hem: Waar wilt U dat wij voorbereidingen voor U treffen om het Pascha te eten?
18 Hij zei: Ga de stad in naar een zeker persoon en zeg tegen hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij;
Ik zal bij u het Pascha houden met Mijn discipelen.
19 En de discipelen deden zoals Jezus hun opgedragen had, en maakten het Pascha gereed.
20 Toen het avond geworden was, lag Hij aan met de twaalf.
21 En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar, Ik zeg u dat een van u Mij zal verraden.
22 En zij werden zeer bedroefd en ieder van hen begon tegen Hem te zeggen: Ik ben het toch niet,
Heere?

Koraal “Ich bin’s ich sollte büβen” J.S. Bach – Mattheus Passion

23 Hij antwoordde en zei: Wie de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden.
24 De Zoon des mensen gaat wel heen zoals over Hem geschreven is, maar wee die mens door wie de
Zoon des mensen verraden wordt! Het zou goed voor die mens zijn als hij niet geboren was.
25 Judas, die Hem verraadde, antwoordde en zei: Ik ben het toch niet, Rabbi? Hij zei tegen hem: U
hebt het gezegd.
26 En terwijl zij aten, nam Jezus het brood en toen Hij hetgezegend had, brak Hij het en gaf het aan de
discipelen en Hij zei: Neem, eet, dit is Mijn lichaam.
Drink allen daaruit,
28 want dit is Mijn bloed, het bloed van het nieuwe verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergevingvan zonden.
29 Ik zeg u dat Ik van nu aan van de vrucht van de wijnstok niet zal drinken tot op de dag wanneer Ik
die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van Mijn Vader.
30 En toen zij de lofzang gezongen hadden, vertrokken zij naar de Olijfberg.
De verloochening van Petrus voorzegd
31 Toen zei Jezus tegen hen: U zult in deze nacht allen aanstoot aan Mij nemen, want er is geschreven:
Ik zal de Herder slaan en de schapen van de kudde zullen uiteengedreven worden.
32 Maar nadat Ik opgewekt zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
33 Maar Petrus antwoordde Hem en zei: Al zouden zij ook allen aanstoot aan U nemen, ik zal nooit
aanstoot aan Unemen.
34 Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u dat u in deze nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben,
Mij driemaal zult verloochenen.
35 Petrus zei tegen Hem: Al moest ik ook met U sterven, ik zal U beslist niet verloochenen! Hetzelfde
zeiden ook al de discipelen.

Koraal “Ich will hier bei dir stehen” J.S. Bach – Mattheus Passion

Gethsémané

36 Toen ging Jezus met hen naar een plaats die Gethsémané heette, en zei tegen de discipelen: Ga
hier zitten, terwijl Ik daar ga bidden.
37 En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met Zich mee en begon bedroefd en zeer
angstig te worden.
38 Toen zei Hij tegen hen: Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe; blijf hier en waak met Mij.
39 En nadat Hij iets verder gegaan was, wierp Hij Zich met het gezicht ter aarde en bad: Mijn Vader, als
het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Maar niet zoals Ik wil, maar zoals
U wilt.
40 En Hij kwam bij de discipelen en trof hen slapend aan en Hij zei tegen Petrus: Kon u dan niet één
uur met Mij waken?
41 Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
42 Opnieuw, voor de tweede keer, ging Hij heen en bad: Mijn Vader, als deze drinkbeker aan Mij niet
voorbij kan gaan zonder dat Ik hem drink, laat Uw wil dangeschieden.
43 En toen Hij bij henkwam, trof Hij hen opnieuw slapend aan, want hun ogen waren zwaar geworden.
44 En Hij liet hen achter, ging nogmaals heen en bad voor de derde keer met dezelfde woorden.
45 Toen kwam Hij bij Zijn discipelen en zei tegen hen: Slaap nu maar verder en rust; zie, het uur is
nabijgekomen dat de Zoon des mensen overgeleverd wordt in de handen van zondaars.
46 Sta op, laten wij gaan; zie, hij die Mij verraadt, is dichtbij.

Koraal “Was mein Got twill, das g’scheh’allzeit” J.S. Bach – Mattheus Passion

Wissel naar Ds. Haasnoot

Jezus geeft Zich gevangen

47 En terwijl Hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalf, kwam er aan en met hem een grote menigte,
met zwaarden en stokken, gestuurd door de overpriesters en oudsten van het volk.
48 Hij die Hem verraadde, had met hen een teken afgesproken en gezegd: Degene Die ik kussen zal, Die is het; grijp Hem.
49 En hij ging meteen naar Jezus toe en zei: Gegroet, Rabbi! En hij kuste Hem.
50 Maar Jezus zei tegen hem: Vriend, waarvoor bent u hier? Toen kwamen zij dichterbij, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.
51 En zie, een van hen die bij Jezus waren, stak zijn hand uit, trok zijn zwaard, trof de dienaar van de hogepriester en sloeg hem het oor af.
52 Toen zei Jezus tegen hem: Doe uw zwaard terug op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.
53 Of denkt u dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking stellen?
54 Hoe zouden anders de Schriften vervuld worden, die zeggen dat het zo geschieden moet?
55 Op dat moment sprak Jezus tot de menigte: Bent u er met zwaarden en stokken opuit gegaan als tegen een misdadiger om Mij te vangen? Dagelijks zat Ik bij u in de tempel om onderwijs te geven en u hebt Mij niet gegrepen,
56 maar dit alles is geschied, opdat de Schriften van de profeten vervuld zouden worden. Toen verlieten al de discipelen Hem en vluchtten.
Voor het Sanhedrin
57 Zij die Jezus gegrepen hadden, leidden Hem weg naar Kajafas, de hogepriester, waar de schriftgeleerden en oudsten bijeengekomen waren.
58 Petrus volgde Hem op een afstand, tot aan het paleis van de hogepriester, en toen hij naar binnen gegaan was, zat hij bij de dienaars om het einde te zien.
59 De overpriesters en de oudsten en heel de Raad zochten een valse getuigenverklaring tegen Jezus, zodat zij Hem zouden kunnen doden, maar zij vonden niets.
60 En hoewel er veel valse getuigen gekomen waren, vonden zij niets.
61 Maar ten slotte kwamen er twee valse getuigen, die zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan de tempel van God afbreken en hem in drie dagen opbouwen.
62 En de hogepriester stond op en zei tegen Hem: Antwoordt U niets? Wat getuigen dezen tegen U?
63 Maar Jezus zweeg. En de hogepriester antwoordde Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God.
64 Jezus zei tegen hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.
65 Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Hij heeft God gelasterd. Waarom hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt u Zijn godslastering gehoord.
66 Wat denkt u? En zij antwoordden en zeiden: Hij is schuldig en verdient de dood.
67 Toen spuwden zij in Zijn gezicht en sloegen Hem met vuisten.
68 En anderen sloegen Hem in het gezicht en zeiden: Profeteer ons, Christus: wie is het die U geslagen heeft?

Koraal “Wer hat dich so geslagen” J.S. Bach – Mattheus Passion

Jezus door Petrus verloochend

69 Petrus zat buiten op de binnenplaats; een dienstmeisje kwam naar hem toe en zei: Ook u was bij Jezus, de Galileeër.
70 Maar hij ontkende het in het bijzijn van allen en zei: Ik weet niet wat u zegt.
71 Toen hij naar buiten ging, naar de poort, zag een ander dienstmeisje hem, en die zei tegen hen die daar waren: Hij was ook bij Jezus de Nazarener.
72 En hij ontkende het opnieuw, met een eed, en zei: Ik ken de Mens niet.
73 Kort daarna zeiden zij die daar stonden en dichterbij kwamen, tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want uw spraak verraadt u.
74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de Mens niet.
75 En meteen kraaide de haan; en Petrus herinnerde zich het woord van Jezus, Die tegen hem gezegd had: Voordat de haan gekraaid zal hebben, zult u Mij driemaal verloochenen. Toen ging hij naar buiten en huilde bitter.

Het einde van Judas

27 1 Toen het ochtend geworden was, kwamen al de overpriesters en de oudsten van het volk met betrekking tot Jezus gezamenlijk tot het besluit Hem te doden.
2 En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en leverden Hem over aan Pontius Pilatus, de stadhouder.
3 Toen Judas, die Hem verraden had, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij berouw en hij bracht de dertig zilverstukken bij de overpriesters en de oudsten terug
4 en zei: Ik heb gezondigd, want ik heb onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? U moet maar zien.
5 En nadat hij de zilverstukken de tempel in gegooid had, vertrok hij. Hij ging heen en hing zich op.
6 De overpriesters pakten de zilverstukken en zeiden: Het is niet geoorloofd die in de offerkist te leggen, omdat het bloedgeld is.
7 En nadat zij beraadslaagd hadden, kochten zij daarvan de akker van de pottenbakker als begraafplaats voor de vreemdelingen.
8 Daarom wordt die akker tot op de dag van vandaag bloedakker genoemd.
9 Toen is vervuld wat gesproken is door de profeetJeremia: En zij hebben de dertig zilverstukken genomen, de waarde van de Geschatte, Die zij geschat hadden uit de Israëlieten,
10 en zij hebben die gegeven voor de akker van de pottenbakker, zoals de Heere mij bevolen heeft.
Voor Pilatus
11 Jezus stond voor de stadhouder en de stadhouder vroeg Hem: U bent de Koningvan de Joden? Jezus zei tegen hem: U zegt het.
12 En toen Hij door de overpriesters en de oudsten beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
13 Toen zei Pilatus tegen Hem: Hoort U niet hoeveel zij tegen U getuigen?
14 Maar Hij antwoordde hem op geen enkel woord, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde.

Koraal “Befiehl du deine Wege und was dein Herze kränkt” J.S. Bach – Mattheus Passion

Wissel naar Ds. Ph. Van Wijk

15 Nu had de stadhouder de gewoonte, op het feest voor de menigte een gevangene los te laten, wie zij ook maar wilden.
16 Ze hadden toen een beruchte gevangene, die Barabbas heette.
17 Toen zij dan bijeenwaren, zei Pilatus tegen hen: Wie wilt u dat ik voor u zal loslaten, Barabbas of Jezus, Die Christusgenoemd wordt?
18 Want hij wist dat zij Hem uit afgunst overgeleverd hadden.
19 Toen hij op de rechterstoel zat, stuurde zijn vrouw hem een boodschap: Laat je toch niet in met deze Rechtvaardige, want ik heb vandaag in een droom veel om Hem geleden.
20 Maar de overpriesters en de oudsten haalden de menigte over dat zij om Barabbas zouden vragen en Jezus zouden ombrengen.
21 De stadhouder antwoordde hun en zei: Wie van deze twee wilt u dat ik voor u zal loslaten? Zij zeiden: Barabbas.
22 Pilatus zei tegen hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die Christus genoemd wordt? Zij zeiden allen tegen hem: Laat Hem gekruisigd worden!
23 Maar de stadhouder zei: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Maar zij riepen des te meer: Laat Hem gekruisigd worden!
24 Toen Pilatus zag dat hij niets bereikte, maar dat er veeleer opschudding ontstond, nam hij water, waste zijn handen voor de ogen van de menigte en zei: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardige. U moet maar zien.
25 En heel het volk antwoordde en zei: Laat Zijn bloed maar komen over ons en over onze kinderen!
26 Toen liet hij Barabbas voor hen los, maar nadat hij Jezus gegeseld had, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.

Jezus bespot en weggeleid

27 Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus met zich mee in het gerechtsgebouw en verzamelden heel de legerafdeling om Hem heen.
28 En toen zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een scharlakenrode mantel om,
29 vlochten een kroon van dorens, zetten die op Zijn hoofd en gaven Hem een rietstok in Zijn rechterhand. Zij vielen op hun knieën voor Hem neer en bespotten Hem met de woorden: Gegroet, Koning van de Joden!
30 Ook bespuwden zij Hem, pakten de rietstok en sloegen Hem op Zijn hoofd.
31 En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel uit, trokken Hem Zijn kleren aan en leidden Hem weg om Hem te kruisigen.
32 Toen zij op weg gingen, troffen zij een man uit Cyrene aan, van wie de naam Simon was; die dwongen zij om Zijn kruis te dragen.

Golgotha

33 En gekomen bij de plaats die Golgotha genoemd wordt, wat Schedelplaats betekent,
34 gaven zij Hem wijnvermengd met gal te drinken; maar toen Hij die geproefd had, wilde Hij niet drinken.
35 Nadat zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn kleren door het lot te werpen, opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet: Ze hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld en om Mijn kleding hebben ze het lot geworpen.
36 En zij gingen zitten om Hem daar te bewaken.
37 En zij brachten boven Zijn hoofd een opschrift aan met de beschuldiging tegen Hem: DIT IS JEZUS, DE KONING VAN DE JODEN.
38 Toen werden met Hem twee misdadigers gekruisigd, een aan Zijn rechter-, en een aan Zijn linkerzijde.
39 En de voorbijgangers lasterden Hem, schudden hun hoofd,
40en zeiden: U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf. Als U de Zoon van God bent, kom dan van het kruis af!
41 En evenzo spotten ook de overpriesters, samen met de schriftgeleerden en de oudsten en de Farizeeën, en zij zeiden:
42 Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Als Hij de Koning van Israël is, laat Hij nu van het kruisafkomen en wij zullen Hem geloven.
43 Hij heeft op God vertrouwd; laat Die Hem nu verlossen als Hij Hem welgezind is, want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
44 Hetzelfde verweten Hem ook de misdadigers die met Hem gekruisigd waren.
45 En vanaf het zesde uur kwam er duisternis over heel de aarde, tot het negende uur toe.
46 Ongeveer op het negende uur riep Jezus met een luide stem: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?
47 Sommigen van hen die daar stonden, zeiden, toen zij dit hoorden: Hij roept Elia.
48 En meteen snelde een van hen toe, nam een spons, doordrenkte die met zure wijn, stak hem op een rietstok en gaf Hem te drinken.
49 Maar de anderen zeiden: Houd op, laten wij zien of Eliakomt om Hem te verlossen.
50 Jezus riep nogmaals met luide stem en gaf de geest.

Koraal “Wenn ich einmal soll scheiden, so scheide nicht von mir” J.S. Bach – Mattheus Passion

51 En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot beneden; de aarde beefde en de rotsen scheurden;
52 ook werden de graven geopend en veel lichamen van heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt;
53 en na Zijn opwekking gingen zij uit de graven, kwamen in de heilige stad en zijn aan velen verschenen.
54 En toen de hoofdman over honderd en zij die met hem Jezus bewaakten, de aardbeving zagen en de dingen die gebeurden, werden zij erg bevreesd en zeiden: Werkelijk, Dit was Gods Zoon!
55 En er waren daar veel vrouwen, die uit de verte toekeken; zij waren Jezus gevolgd van Galilea om Hem te dienen.
56 Onder hen waren Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.

De begrafenis

57 Toen het avond geworden was, kwam er een rijke man van Arimathea, van wie de naam Jozef was en die ook zelf een discipel van Jezus was.
58 Die ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. Toen gaf Pilatus bevel dat het lichaam aan hemgegeven zou worden.
59 En Jozef nam het lichaam in ontvangst, wikkelde het in zuiver fijn linnen,
60 en legde het in zijn nieuwe graf, dat hij in de rots uitgehakt had; en nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf gewenteld had, ging hij weg.
61 En daar waren Maria Magdalena en de andere Maria, die tegenover het grafzaten.

De wacht bij het graf

62 De volgende dag, dat is de dag na de voorbereiding, kwamen de overpriesters en de Farizeeën bij Pilatus bijeen,
63 en zeiden: Heer, wij herinneren ons dat deze verleider gezegd heeft toen Hij nog leefde: Na drie dagen zal Ik opgewekt worden.
64 Geef dan bevel dat het graf tot de derde dag toe beveiligd wordt, opdat Zijn discipelen Hem 's nachts misschien niet komen stelen en tegen het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden. En dan zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste.
65 Pilatus zei tegen hen: Hier hebt u een wacht; ga heen, beveilig het naar uw beste weten.
66 Zij gingen erheen en beveiligden het graf met de wacht, nadat zij de steen verzegeld hadden.
Stil gebed

Afgesloten door het
Luther’s Avondgebed (staande) door dominee Haasnoot

HEER, blijf bij ons, want het is avond en de nacht zal komen.
Blijf bij ons en bij Uw ganse kerk
aan de avond van de dag
aan de avond van het leven
aan de avond van de wereld
Blijf bij ons
met Uw genade en goedheid
met Uw troost en zegen
met Uw Woord en Sacrament
Blijf bij ons
wanneer over ons komt
de nacht van beproeving en van angst
de nacht van twijfel en aanvechting
de nacht van de strenge, bittere dood.
Blijf bij ons
in leven en in sterven
in tijd en eeuwigheid.

Amen

Zegen – staande